Technisch bepaalde modellen: wordt het kaf van het koren gescheiden?

01 March 2010

Domien Op de Beeck

It has been said that the perfectly functioning tea-pot – convenient to hold, pouring without spilling, and above all easy to clean – will inevitably be aesthetically satisfying. But something has been left out: the idea of visual enjoyment, of aesthetic pleasure. And if these are banished from the process of eating and drinking, nothing is left but the intake of carbohydrates and protein. [1]

1.         Het bovenstaande citaat van de Britse ontwerper Gray leent zich tot een mooie weerspiegeling van één van de meest levendige discussiepunten uit het modellenrecht, nl. dat van de relatie tussen vormgeving en functionaliteit. Artikel 8.1 Verordening (EG) 6/2002 betreffende Gemeenschapsmodellen (hierna: “MoVe.”) voorziet in een uitsluiting van uitsluitend technisch gedetermineerde modellen, maar hoewel vaak bepleit, en hoewel het Europees modellenrecht sinds de millenniumwende geharmoniseerd had moeten zijn, is de invulling van deze bepaling vandaag verre van eenduidig. Mogelijkerwijze komt hierin nu verandering, naar het voorbeeld van de Beroepskamer van het BHIM, die in enkele recente uitspraken op gemotiveerde wijze positie inneemt in deze discussie.


  1. Situering van de uitsluiting

2.         De uitsluiting waarin art. 8.1 MoVe. voorziet, tracht een grens te trekken in de schemerzone tussen het modellenrecht en de puur technische IE-rechten, zoals met name het octrooirecht.[2] Als dusdanig kan deze bepaling enigszins overbodig lijken, aangezien het “subject-matter” van deze monopolierechten aanzienlijk verschilt. Het octrooirecht verleent bescherming voor de oplossing van een technisch probleem, zodat deze principieel abstracte uitvinding de waarde van de mogelijke uitvoeringsvormen bepaalt. Na grondig onderzoek van de merites van de uitvinding wordt de octrooihouder beloond met een 20 jaar durend verbodsrecht. Maar bij het verstrijken van deze termijn of bij een niet-voldoen aan de octrooivereisten is het even belangrijk dat die oplossing in het publiek domein valt. Beide zijden van de medaille spelen een essentiële rol in de basispremisse van het octrooirecht.[3] Het modellenrecht heeft een heel ander voornemen. Men beseft dat de uiterlijke vormgeving van producten een belangrijke rol speelt in het aankooppatroon van afnemers.[4] Goed “design” onderscheidt het product van andere producten, zodat de concrete vorm zelf intrinsieke waarde aan het product geeft. Het modellenrecht beoogt om die uiterlijk waarneembare kwaliteit te belonen, zoals blijkt uit art. 3.a MoVe. dat de verschijningsvorm van een voortbrengsel in aanmerking neemt voor bescherming. Het modellenrecht viseert geen abstracte ideeën of oplossingen, maar voorziet een commercieel monopolie voor de concrete, “gekenmerkte” uitdrukking van lijnen, kleuren, vormen, etc., zodat de inspanning wordt beloond van de ontwerper die bijzondere aandacht heeft willen besteden aan het uiterlijk van zijn product.

In theorie functioneren deze exclusiviteitsrechten harmonieus naast elkaar, zelfs met betrekking tot eenzelfde voorwerp.[5] In de praktijk, daarentegen, willen modelrechtelijke aanspraken echter wel eens het vaarwater van de technische IE-rechten doorkruisen. Deze “migratie” volgt uit het feit dat het modellenrecht zich grotendeels richt tot gebruiksvoorwerpen, die logischerwijze inherent verbonden zijn met een praktisch nut of techniciteit. Maar daarenboven kunnen wij ons bij nadere analyse niet van de indruk ontdoen dat ontwerpers van louter industriële en zuiver technische applicaties in het modellenrecht een uitweg zoeken om de afwezigheid van een zgn. “petty patent” op te vangen of om het af- of mislopen van een octrooimonopolie te compenseren. Op dat moment is de harmonie volgens ons zoek en moet de uitsluiting in artikel 8.1 MoVe. interveniëren: het modellenrecht kan immers niet verder gaan dan de bescherming van uiterlijke vormgeving (van een gebruiksproduct), en mag er niet aan in de weg staan dat concurrenten ongestoord gebruiksproducten met een technische oplossing kunnen aanbieden.

        2.   Omvang van de uitsluiting

Onder de titel “voorwaarden voor bescherming” vindt men de uitsluiting in artikel 8.1 MoVe. Meer bepaald luidt deze: “a community design shall not subsist in features of appearance of a product which are solely dictated by its technical function”. Bij wege van een bespreking van diens verschillende componenten wordt hieronder getracht om een juiste invulling aan deze compromisbepaling te geven.

        2.1  “Its technical function”

3.         Een eerste vraag die een antwoord vereist, is wat nu juist dient verstaan te worden onder het begrip “technische functie”. De invulling van dit begrip zal evident een onmiddellijke invloed hebben op de draagwijdte van deze uitsluiting.

 Hoewel op deze vraag niet uitdrukkelijk werd ingegaan bij de invoering van de nieuwe Europese wetsbepalingen, wordt het algemeen aanvaard dat het begrip “technische functie” de puur octrooirechtelijk beschermbare techniek overstijgt.[6] Enerzijds geeft het octrooirecht zelf geen positieve definitie van het begrip “uitvinding”[7], maar anderzijds moet het duidelijk zijn dat het evenmin aan het modellenrecht toekomt om bescherming te verlenen aan oplossingen die zelfs niet in aanmerking komen voor octrooirechtelijke bescherming.[8] WICHERS HOETH stelt terecht vast dat het modelmonopolie eigenlijk niet moet dienen ter bescherming van ontwerpen van nuttiger, praktischer of handiger voorwerpen, maar dat zij moet bevorderen dat fabrikanten meer zorg besteden aan de uiterlijke vorm.[9] In het licht van deze uitsluitingsgrond moet in bepaalde gevallen dus niet alleen de “typisch technische” (bvb. elektronische of mechanische) functie in overweging worden genomen, maar eveneens de meer “praktisch-technische” functie (zoals economische problemen of marktvereisten).[10] GIELEN stelt zelfs dat van een technische functie kan worden gesproken wanneer de vormgeving het betreffende voortbrengsel (beter) geschikt doet zijn voor zijn gebruiksfunctie[11], al wordt het onderscheid tussen “functionaliteit” en “technische functionaliteit” daardoor wel erg klein.[12]

 4.         Door de opname van het bezittelijk voornaamwoord “its” technical function, is de vraag gerezen of de nieuwe wet niet beperkter is dan de oude (Benelux) modellenwet, die enkel sprak over “een” technische functie. Meer bepaald zou dit kunnen betekenen dat enkel dé globale functie van het voorwerp of de doelbewust door de ontwerper nagestreefde technische functie kan worden overwogen.[13] Wij delen die overtuiging niet.

Een gebruiksvoorwerp zal zelden slechts een globale technische functie vervullen, maar veeleer een concentratie zijn van verschillende technische vereisten die samen de gebruiksfunctie beïnvloeden. Een fiets heeft als globale functie om vooruit te bewegen. Echter, het staat buiten kijf dat men van een fiets verwacht dat deze tevens andere, meer specifieke technische deel-functies vervult (veiligheid, comfort, snelheid, etc.). Het onderscheid tussen een globale dan wel accessoire functionaliteit valt volgens ons dan ook niet op realistische wijze te rijmen met de uitsluiting die wordt voorzien in art. 8.1 MoVe.

Verder is het principieel irrelevant of een technische functie al dan niet werd vooropgesteld door de ontwerper. Dergelijke subjectiviteit zou nefast zijn voor de rechtszekerheid van derden, die niet afhankelijk mogen zijn van de (onuitgesproken) intenties van de ontwerper, en bovendien zou deze aanleiding geven tot aanzienlijke bewijsproblemen. Op dit punt stelde de Beroepskamer van het BHIM recent duidelijk: “it is not necessary to determine what actually went on in the designer’s mind when the design was being developed”.[14]

5.         Wat wel opvalt, is dat het BHIM voor deze uitsluitingsgrond niet de beoordeling door een “geïnformeerde gebruiker” (“informed user”) vooropstelt, hetgeen overeenkomstig de MoVe. het geëigende toetsingscriterium uitmaakt (zie art. 6 en 10 MoVe.), maar wel de beoordeling door een “reasonable observer”. Om te achterhalen waar het BHIM de mosterd vandaan haalde voor de toepassing van dit afwijkende criterium, blijkt een terugkoppeling aan het merkenrecht interessant. In het recente LEGO-arrest van het Gerecht werd alzo vooropgesteld dat de technische determinering van het vormmerk objectief moet worden getoetst, en dat een dergelijke opdracht niet kan worden overgelaten aan een consument.[15] In zijn conclusie valt de Advocaat-generaal van het Hof deze zienswijze bij, en verduidelijkt dat zo’n afwijkend toetsingscriterium bovendien gerechtvaardigd is omwille van de verschillende politieke bezorgdheid die dergelijke uitsluitingsgronden kenmerkt.[16] De vraag stelt zich of deze behoefte bestaat in het modellenrecht: mag men van een geïnformeerde gebruiker niet eenzelfde objectiviteit verwachten als van een “redelijk waarnemer”? Hij is immers niet de gewone, spontaan kopende consument, maar heeft wel kennis van de markt van het desbetreffende voortbrengsel. Zoals VANHEES stelt, wordt hij geacht om op de hoogte te zijn van de vernieuwing die door het model wordt gerealiseerd, en weet hij over welke vrijheid men beschikte bij het ontwerpen van het model.[17] Volgens ons beschikt deze laatste dan ook over de nodige ervaring om een objectieve, correcte en redelijke analyse van de technische determinering van de betrokken vorm te maken.

           2.2  “Solely dictated by”

6.         In tweede instantie dient te worden bepaald wat het verband is tussen vormgeving en technische functie. Deze analyse van de “causaliteit van vorm en functie” betreft ongetwijfeld het heikele punt bij de interpretatie van deze uitsluitingsgrond.

Onder het oude modellenregime voorzag artikel 2.1 BMW in een uitsluitingsgrond voor “ce qui est indispensable à l’obtention d’un effet technique” (“hetgeen noodzakelijk is voor het bekomen van een technisch resultaat”). Men was het er in grote mate over eens dat deze uitsluiting een beperkte omvang had. De term “indispensable” (“onontbeerlijk” eerder dan “noodzakelijk”) impliceerde inderdaad een zeer beperkte invulling. Een test werd ontwikkeld om te verifiëren of een vorm inderdaad onontbeerlijk was: deze “multiplicité des formes” test  bestond erin na te gaan of er een alternatieve vorm bestond die de betrokken technische functie evenzeer kon vervullen.[18] Enkel indien dit niet het geval was, en deze functie dus slechts door middel van de gedeponeerde vorm kon worden vervuld, werd deze als onontbeerlijk beschouwd (“form necessarily follows function”) en van modellenbescherming uitgesloten.[19]

Met het Protocol van 20 juni 2002 tot wijziging van de Beneluxwet inzake tekeningen en modellen, en de implementatie van de nieuwe tekst (“uitsluitend bepaald door”), gingen de Beneluxregeringen er nog van uit dat de nieuwe formulering van de tekst in de praktijk geen verschil [zou] opleveren[20]. Desalniettemin ontstond er een zekere polemiek omtrent de interpretatie van deze nieuwe bepaling. Aan de ene kant zweren aanhangers van de zgn. “resultaatgerichte interpretatie” bij het oude criterium van de “multiplicité des formes”.[21] Voorstanders van een zgn. “apparaatgerichte interpretatie” zijn daarentegen van oordeel dat men moet nagaan in hoeverre de modelvorm zélf bepaald wordt door technische overwegingen, ongeacht of er alternatieve vormgeving mogelijk is. Deze laatste interpretatie vindt haar oorsprong in de invulling die door het Britse House of Lords werd gegeven aan een gelijkluidende bepaling uit de “Registered Designs Act 1949”.[22] Volgens het House of Lords was de vormgeving van een product uitsluitend bepaald door diens technische functie, indien elk kenmerk van het ontwerp door technische overwegingen is gedetermineerd, en het niet de bedoeling was om enige indruk (zgn. “eye appeal”) na te laten bij de afnemer die diens keuze zou kunnen beïnvloeden. Beide doctrines vinden toepassing in de Benelux: zo wordt de apparaatgerichte interpretatie vaak toegepast in recente Nederlandse rechtspraak.[23] In België, daarentegen, vindt deze maar weinig navolging, en passen rechters die geconfronteerd worden met een technisch ontwerp inderdaad nog steeds de “multiplicité des formes” doctrine toe.[24] Het is duidelijk dat de toepassing van dergelijke verschillende criteria zelfs binnen het Benelux-gebied tot divergente rechtsbescherming leidt.

 7.         In het licht van dit spanningsveld kadert de recente rechtspraak van de Beroepskamer van het BHIM als zijnde zeer pertinent, en moet deze in het “geharmoniseerd modellenlandschap” worden beschouwd als een gezaghebbende uitspraak. In de BHIM beslissing van 22 oktober 2009 (zie verder in dit nummer) betrof het gedeponeerde Gemeenschapsmodel een “korensnijder” (“chaff cutter”) in de vorm van een metalen cilinder met messen, opgesteld in V-vorm. De eiser tot nietigverklaring argumenteerde dat het model op zich uitsluitend technisch was gedetermineerd, en daarom diende te worden uitgesloten van modellenbescherming (apparaatgerichte interpretatie). Volgens de deposant was deze vorm dan misschien wel ingegeven vanuit technische overwegingen, maar bestaan er alternatieve vormen die eenzelfde gebruiksfunctie vervullen (resultaatgerichte interpretatie). De Beroepskamer van het BHIM verwierp deze laatste interpretatie van artikel 8.1 MoVe. in de volgende duidelijke bewoordingen: “that provision denies protection to features of a product’s appearance that are ‘solely dictated by its technical function’. Those words do not, on their natural meaning, imply that the feature in question must be the only means by which the product’s technical function can be achieved. On the contrary, they imply that the need to achieve the product’s technical function was the only relevant factor when the feature in question was selected.” Aangezien het ingeschreven Gemeenschapsmodel aan dit criterium voldeed, werd het nietig verklaard.

Deze beslissing krijgt extra gewicht door diens uitdrukkelijke identificatie van het probleem (“two contrasting views have been canvassed in the legal literature”), en door de gemotiveerde verwerping van de resultaatgerichte interpretatie. In tussentijd werd deze interpretatie ook al bevestigd in een beslissing van diezelfde Beroepskamer, waarbij een productverpakking op dezelfde grondslag van modellenbescherming werd uitgesloten.[25] De praktische relevantie van de vraag naar het juiste criterium blijkt trouwens nogmaals uit het feit dat een toepassing van de resultaatgerichte interpretatie de “Invalidity Division” van het BHIM in eerste aanleg had toegelaten om wel tot de geldigheid van het model te besluiten.[26] 

Wat opvalt is dat deze beslissing lijnrecht indruist tegen de conclusie omtrent de interpretatie van art. 8.1 MoVe. die eerder door de Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie werd geuit naar aanleiding van de bekende Philips/Remmington zaak[27]. Bij wege van vergelijking met het merkenrecht luidde de Advocaat-generaal voor het modellenrecht namelijk onvoorwaardelijk de bel van de resultaatgerichte leer: “voor de vaststelling dat tekeningen of modellen niet kunnen worden ingeschreven, moet er een grotere mate van “functionaliteit” zijn [dan in het merkenrecht]; het betrokken kenmerk dient niet alleen noodzakelijk, maar onmisbaar te zijn om een bepaalde technische uitkomst te bereiken: de functie bepaalt de vorm (“form follows function”). Dat betekent dat een functioneel model toch in aanmerking kan komen voor bescherming voor zover kan worden aangetoond dat dezelfde technische functie met een andere vorm kan worden bereikt”.[28] Deze gezaghebbende conclusie legt het BHIM dus nadrukkelijk (en terecht) naast zich neer. Ook naar onze mening vertrekt deze redenering van de Advocaat-generaal van een foutief uitgangspunt, en is niet de verhouding tussen modellen- en merkenrecht van belang, maar vooral die tussen resp. merken- en octrooirecht en modellen- en octrooirecht.[29] Het feit dat merken- en modellenrecht in een gelijkaardige uitsluitingsgrond voorzien, laat niet toe om door middel van een afgeleide differentiëring tussen deze twee tot een interpretatie van art. 8.1 MoVe. te besluiten. Dergelijke wiskundige associaties laten zich namelijk niet altijd foutloos omzetten naar recht, ook niet voor wat deze technische uitsluiting betreft. Indien een technisch gedetermineerde vorm van een driekoppig scheerapparaat tegelijk wordt ingeschreven als merk en model, luidt de enige relevante vraag of een concurrent ermee gebaat is dat een technische oplossing niet via het merkenrecht, maar wel via het modellenrecht aan de geëigende standaard ontsnapt door de stelling dat er alternatieve vormen bestaan.

 8.         De definitieve invulling van art.8.1 MoVe. is uiteraard een puur Communautaire (politieke) opdracht, maar anticiperend op een arrest van het Hof van Justitie, en waar mogelijk naar analogie met de beslissing van datzelfde Hof in de Philips-zaak, lijkt ons de redenering van de Beroepskamer genoegzaam gemotiveerd. Immers, de motieven die het Hof brachten tot de afwijzing van de “multiplicité des formes” doctrine in het merkenrecht, te weten een gebrek aan steun in de tekst van art. 3, lid 1, sub e van de Merkenrichtlijn en de strijdigheid van dergelijke interpretatie met het algemeen belang[30], vinden evenzeer toepassing in het modellenrecht.

Op de letter genomen, schrijft de tekst van artikel 8.1 MoVe namelijk voor om de concrete vorm te bekijken en na te gaan of deze uitsluitend door de technische functie is bepaald. Dat is apparaatgericht. De wettekst vereist niet (langer) dat een vorm “onontbeerlijk” zou zijn voor een technische functie, en stelt dus evenmin dat de uitsluiting enkel geldt indien er geen alternatieve vormgeving mogelijk is.

Daarenboven zet een toepassing van de “multiplicité des formes” doctrine de deur open voor een overschrijding van de ratio legis van het modellenrecht. Natuurlijk moet die vorm van modellenbescherming worden uitgesloten die als enige een technische functie kan vervullen In die gevallen leidt ook een “multiplicité des formes” analyse tot een correcte uitsluiting. Maar bij een technische oplossing met meerdere uitvoeringsvormen vindt deze doctrine geen toepassing en bestaat er een reëel risico op belemmering van de verdere innovatie. Immers, wanneer men in ogenschouw neemt dat ontwerpers de mogelijkheid hebben om gelijktijdig meerdere modeldepots te verrichten (art. 37 MoVe.), is de stap naar het oneigenlijk technisch modelmonopolie of zelfs -oligopolie snel gezet.[31]

En hoewel deze doctrine wordt gekenmerkt door een ogenschijnlijke simpliciteit van diens toetsingscriterium (zijn er alternatieve vormen?), draagt deze de sporen van een inherente rechtsonzekerheid. Wanneer verschillende vormen in staat zijn om een technische functie te vervullen, stelt zich immers steeds de vraag hoe te bepalen in hoeverre vorm x werkelijk een alternatief is voor vorm y? Hoe dient men bvb. om te gaan met technische kwaliteitsverschillen? Een dergelijke interpretatie zou er dus op neerkomen dat de modelrechter, van wie deze geen esthetische waardebepaling kan worden vereist (cf. infra), wel zou moeten afwegen of vormen technisch equivalent zijn. Ook kan deze doctrine leiden tot een zekere rechtsongelijkheid. Het zou immers niet billijk zijn dat een model bvb. in 2010 nietig kan worden verklaard door een Belgische rechter (omdat er geen alternatieve vorm bestaat), maar in 2011 wel de beoordeling van een Franse rechter overleeft omdat er in tussentijd een alternatief (denkbaar) is. De kans is reëel dat een modelhouder aan het bestaan van dit technisch alternatief zelf geen enkele verdienste heeft, maar toch wordt beloond met een (technisch) modelmonopolie. En als hij hierin zelf al enige hand zou hebben, dan nog stemt dit in feite niet overeen met de basispremisse van het modellenrecht, die er niet in bestaat om de zoektocht naar technisch alternatieve uitvoeringsvormen te stimuleren, maar wel om zorg te besteden aan de uiterlijke vormgeving van voortbrengselen. Als dusdanig leidt de toepassing van deze doctrine tot een miskenning van de technische determinering die aan de betrokken vormgeving ten grondslag ligt.[32]

9.         Ter rechtvaardiging van de resultaatgerichte interpretatie beroept men zich op het principe van de restrictieve interpretatie van uitzonderingen, en op een dreigende uitsluiting van zgn. “beschermenswaardige” (puur) technische ontwerpen.

Hoewel dit principiële argument ongetwijfeld waarde heeft, kan men er niet omheen dat art. 8.1 MoVe. uitdrukkelijk in een afzonderlijke voorwaarde voorziet. Wanneer men vormgeving resultaatgericht analyseert, en enkel noodzakelijke én essentiële technische kenmerken worden uitgesloten, zonder mogelijkheid tot eigen inbreng of variatie, stelt zich echter de vraag naar de relevantie van deze additionele uitsluitingsgrond: verwordt deze dan in feite niet tot een verificatie van het eigen karakter van een technisch model?[33]  Men kan in de praktijk niet ontkennen dat de toepassing van de “multiplicité des formes” doctrine het toepassingsgebied van de technische uitsluiting wel héél erg heeft verkleind, in die mate dat deze inderdaad overbodig lijkt geworden. In het modellenrecht zijn vorm en functie inderdaad nauw met elkaar verbonden, waardoor het vaker dan een merk in contact komt met technische functionaliteit. Maar dit gegeven kan niet tot gevolg hebben dat art.8.1 MoVe. “lakser” moet worden toegepast, zoals Advocaat-generaal Colomer in zijn conclusie lijkt te suggereren, wel integendeel. Aangezien een frequent risico bestaat dat concurrenten worden geraakt in de kern van hun ontwerpersvrijheid, is een correcte toepassing van deze uitsluiting in het modellenrecht des te belangrijker.

Het is correct dat de wet geen onderscheid maakt tussen esthetische en industriële vormgeving. De inleidende overweging nr. 10 MoVe. stelt inderdaad “dat hieruit niet mag worden afgeleid dat een model esthetische waarde moet bezitten”. Volgens ons kan deze overweging echter niet impliceren dat puur functionele vormgeving voor bescherming in aanmerking komt: indien de vormelijke esthetiek van het model inderdaad irrelevant mag zijn, lijkt het contradictoir dat de wet uitdrukkelijk voorschrijft dat enkel de verschijningsvorm een model kan uitmaken, en dat die onderdelen[34] zijn uitgesloten die niet zichtbaar zijn bij normaal gebruik (art. 3 en 4 MoVe.).[35] Deze overweging valt daarentegen wel te rijmen met een bijzondere fijnzinnigheid waarmee de wetgever heeft getracht om in het ééngemaakt modellenrecht geen esthetische standaard op te leggen. Niet alleen is het vrijwel onmogelijk om een constante analyse van dergelijke maatstaven te maken (een bezorgdheid die men kent uit het auteursrecht[36]), maar bovendien staat die inherente subjectiviteit onvermijdelijk in de weg van een geharmoniseerd modellenlandschap. Tegelijkertijd is modellenbescherming wel voorzien voor een uiterlijke vormgeving, en zou het ontkennen van een esthetisch beïnvloeding van de modelgebruiker misplaatst zijn indien men effectief een geschikte sui generis beschermingsmodaliteit wil uitbouwen.[37] In het licht van de beoogde marketingwaarde van het model is dit trouwens een realistisch uitgangspunt: goed ‘design’ volgt niet op functionaliteit, maar heeft te maken met de integratie ervan. Anders zou het tot een emotieloos gegeven verworden, zoals treffend verwoord in het inleidend citaat van Gray. De MoVe. verleent dus bescherming aan de kenmerken van een gebruiksvoorwerp die de gebruiker kunnen beïnvloeden op een wijze die het louter functionele overstijgt.[38] Het is door de negatieve formulering van art. 8.1 MoVe. dat men erin slaagt om puur technisch design uit te sluiten, zonder een bepaalde esthetische standaard te vereisen.

           2.3  “Features of appearance”

10.       In het licht van die nauwe band tussen vorm en functionaliteit mag men niet blind zijn voor het feit dat een al te rigoureuze toepassing van art. 8.1 MoVe. kan leiden tot een uitsluiting van beschermenswaardige modellen. Echter, dit is niet noodzakelijk het geval bij toepassing van een apparaatgerichte interpretatie. Een tempering kan dan misschien niet meer gevonden worden in het “onontbeerlijke” karakter van de vorm, maar dit betekent niet dat elk functioneel model meteen op losse schroeven komt te staan. De wet vereist wel degelijk dat de uiterlijke kenmerken van het model “solely” (“uitsluitend”) moeten zijn bepaald door de technische functie, d.w.z. dat hun doelstelling er redelijkerwijze (cf. “reasonable observer”) in bestaat om de technische functie te vervullen. Een model zal bovendien enkel in zijn geheel worden vernietigd indien al de (wezenlijke?) kenmerken van het uiterlijk van het product uitsluitend door een technische functie zijn bepaald. Dit betekent dat het model overeind kan blijven, ook indien een aantal van diens kenmerken enkel en alleen werden gekozen om een technische functie te vervullen: wanneer een uitsluitend technisch gedetermineerde langwerpige vorm van een afvoergoot wordt uitgesloten van bescherming, staat niets er bijvoorbeeld aan in de weg dat het specifieke perforatiepatroon van die afvoergoot bescherming geniet onder het modellenrecht, op voorwaarde uiteraard dat dit op zich niet louter door technische overwegingen is ingegeven.[39] Het zwaartepunt van deze uitsluitingsgrond ligt ons inziens dan ook in de gedeeltelijke uitsluiting van bepaalde deel-kenmerken van het model (“features of appearance”), een mogelijkheid die nu trouwens uitdrukkelijk bevestigd wordt in overweging 10 jo. art.8.1 MoVe.[40]

 Bovendien stelt zich de vraag of de modelrechtelijke uitsluiting in dit verband niet dient te worden onderscheiden (lees: “getemperd”) ten opzichte van de interpretatie die (al dan niet terecht) aan de corresponderende uitsluitingsgrond in het merkenrecht wordt gegeven. Het Hof van Justitie bepaalde in het Philips-arrest dat het merkenrecht beoogt om de inschrijving te weigeren van vormen waarvan de wezenlijke functionele kenmerken beantwoorden aan een technische uitkomst[41], hetgeen zou betekenen dat de toevoeging van niet-wezenlijke kenmerken zonder technische functie niet kan verhinderen dat een vormmerk volledig wordt uitgesloten.[42] Wij zijn van mening[43] dat deze kwalificatie zich in elk geval niet opdringt in het modellenrecht. De uitsluitingsgrond in art. 8 MoVe. maakt geen onderscheid tussen wezenlijke en niet-wezenlijke kenmerken, en in feite is een dergelijke karakterisering vreemd aan het gehele modellenrecht.[44] Wij worden gesterkt in onze overtuiging aangezien de MoVe. zelf voorschrijft dat de beoordeling van het eigen karakter van een vorm “varieert”, o.a. onder invloed van de technische determinering van het model en de mate van vrijheid van de ontwerper van het model (art.6.2 MoVe.). Zo wordt het algemeen aanvaard dat wanneer men een standaardvorm verwacht, met name wanneer de modelkenmerken grotendeels technisch zijn gedetermineerd, reeds bij relatief kleinere verschillen kan worden gesproken van een eigen karakter.[45] Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat het model eerder de toets aan art. 8.1 MoVe. heeft doorstaan, hetgeen impliceert dat men deze kwalificatie in dat verband niet kan  maken. Tegelijkertijd zal de beschermingsomvang van deze “niet-wezenlijk” afwijkende modellen erg gering zijn, en leidt deze tempering dus niet tot een misplaatste erkenning.[46]

11.       Ook van een partiële uitsluiting dringt zich een correcte toepassing op. Zo is het niet aangeraden om deze uitsluitingsgrond pas te beoordelen na uitspraak te hebben gedaan over de voorwaarden van nieuwheid en eigen karakter, zoals men soms dient vast te stellen.[47] Hoewel ook de MoVe. de betrokken bepalingen in die volgorde stipuleert, delen wij de mening van QUAEDVLIEG die stelt dat hierdoor het paard achter de kar wordt gespannen.[48] Niet alleen zijn de uitsluitend technisch gedetermineerde kenmerken van het model irrelevant voor de beoordeling van de beschermingsomvang, maar bovendien wordt de verleiding om ook deze elementen in overweging te nemen bij de beoordeling van de intrinsieke geldigheid van het model door dergelijke a-chronologische redenering erg groot.[49] Het is in dit verband treffend dat het Hof van Justitie de corresponderende uitsluitingsgrond in het merkenrecht bestempelde als een “eerste obstakel”.[50] De inleidende overweging 10 van de MoVe. is op dit punt ook duidelijk: “bijgevolg mag met kenmerken van een model die om deze redenen van bescherming worden uitgesloten geen rekening worden gehouden bij het beoordelen of andere kenmerken van het model aan de voorwaarden voor bescherming voldoen”. Om een verkeerde analyse van de geldigheid en beschermingsomvang te vermijden, bepaalt men dus best eerst welke kenmerken van het ingeroepen model niet-uitsluitend technisch zijn bepaald vooraleer deze aan een toetsing van de overige geldigheidsvoorwaarden te onderwerpen.

 12.       Dit brengt ons ten slotte tot een ander procedureel aspect, met name tot de verdeling van de bewijslast. Het is correct dat, in tegenstelling tot het auteursrecht, de titularis geniet van een vermoeden van geldigheid van zijn model.[51] Het komt dus aan de tegenpartij toe om de nietigheid van het model te argumenteren. Echter, wat betreft de invulling van de uitsluitingsgrond in artikel 8.1 MoVe., lijkt het billijk om de bewijslast tussen partijen te verdelen. Hoewel de subjectieve intenties van een deposant niet bindend kunnen zijn voor een derde-concurrent (cf. supra), komt het minstens aan de modelhouder toe om aan te tonen in hoeverre zijn vorm niet uitsluitend door technische bekommernissen werd ingefluisterd. Op die manier kan worden bepaald of dit ook redelijkerwijze en objectief wordt opgevat door de geïnformeerde gebruiker dan wel de “redelijke waarnemer”. Indien de modelhouder er niet in slaagt niet-uitsluitend technisch bepaalde kenmerken te identificeren, dient het model geheel nietig te worden verklaard, want dan valt er onder modellenrecht niets te beschermen. Het is duidelijk dat dit van een modelhouder redelijkerwijze een minder passieve houding verwacht dan de soms lapidaire bewering dat alternatieve vormgeving mogelijk is (resultaatgerichte leer). Dit komt de waarheidsvinding ten goede, maar komt ons tevens gepast voor in het licht van de relatieve waarde van de modeltitel die, in tegenstelling tot bvb. het octrooirecht, bij verlening nauwelijks wordt onderzocht. Het is evident dat deze titel nadien aan een nauwlettend onderzoek wordt onderworpen, en dat de modelhouder hierin zelf een actieve rol speelt. Trouwens, door eerst te bepalen op welke punten de vormgeving het louter technische overstijgt, krijgt de titularis de kans om meteen te duiden wat de omvang was van de ontwerpersvrijheid waarover hij kon beschikken (art. 6 MoVe.), hetgeen de rechter toelaat om te verifiëren of deze vormgeving zich voldoende onderscheidt van het voorheen bestaande vormgevingserfgoed.

             3.   Ten uitgeleide

In het licht van een groeiende tegenstelling omtrent de interpretatie van art. 8.1 MoVe. en in afwachting van een beslissing van het Hof van Justitie, heeft de Beroepskamer van het BHIM haar rol als harmoniserende instantie ter harte genomen en lijkt zij de spreekwoordelijke knoop ook in het modellenrecht te hebben doorgehakt ten voordele van een apparaatgerichte interpretatie. In tegenstelling tot wat voorstanders van een resultaatgerichte interpretatie vrezen, impliceert een afstand van deze doctrine op zich niet noodzakelijk een rigoureuze uitsluiting van beschermenswaardige modellen (al is de precieze omvang van het begrip technische functie tot op heden onzeker, evenals de rol van de reasonable observer en de invloed van een technische determinering van alleen de wezenlijke kenmerken). Principieel zal een model enkel in uitzonderlijke omstandigheden redelijkerwijze volledig en uitsluitend worden bepaald door zijn technische functie, maar tegelijk biedt een apparaatgerichte interpretatie aan concurrenten wel de garantie dat de deur wordt gesloten voor de toekenning van een oneigenlijk technisch modelmonopolie. Dit maakt dat ook onze voorkeur uitgaat naar een apparaatgerichte interpretatie.

In de praktijk voorzien wij dat deze interpretatie er mede toe zal leiden dat het zwaartepunt van deze uitsluitingsgrond verschuift naar de technisch gedetermineerde deel-kenmerken, terwijl functionele modellen in hun algemeenheid meestal wel overeind zullen kunnen blijven. En hoewel in het huidige modellenlandschap hoofdzakelijk de totaalindruk van de betrokken modellen van belang is, zien wij geen graten in een dergelijk “saucissoneren” van het model bij de toepassing van art. 8.1 MoVe. Dit garandeert namelijk een correcte, sequentiële toepassing van de geldigheidscriteria en vergemakkelijkt bovendien de moeilijke taak van de rechter, die bij de beoordeling van de geldigheid en de inbreukvraag geen rekening mag houden met de uitsluitend technisch bepaalde kenmerken.

Een apparaatgerichte interpretatie vraagt ten slotte om een verschuiving op het terrein van de bewijsvoering. Deze veronderstelt immers een minder passieve rol van de modelhouder, hetgeen toelaat te bepalen waarom de ontwerper een bepaalde vorm heeft gekozen, een materiaalselectie heeft gemaakt, die afmetingen en verhoudingen heeft gekozen, etc. Als dusdanig zorgt deze interpretatie er tevens voor dat modelrechtelijke aanspraken opnieuw worden geconcentreerd op hun eigenlijke “subject-matter”, nl. de bescherming van de uiterlijke vormgeving van voortbrengselen.

Domien Op de Beeck

Advocaat, Bird & Bird LLP







[1] Milner Gray, geciteerd in C. PEARCE, Twentieth Century Design Classics, Londen, H.C. Blossom, 1991, 7.

[2] Inleidende Overweging nr.10 MoVe.: “De technologische innovatie mag niet worden gehinderd door modelbescherming te bieden aan kenmerken die uitsluitend door een technische functie worden bepaald”.

[3] M. BUYDENS, Droits des brevets d’invention, Brussel, Larcier, 1999, 9: “Il convient donc de concilier deux impératifs que sont, d’une part, la nécessité de protéger les prestations ‘à valeur intellectuelle ajoutée’, et, d’autre part, la nécessité de garantir la liberté de la copie comme facteur nécessaire à la création elle-même et comme condition de la concurrence”.

[4] “Official Commentary of Proposal of Regulation, Explanatory Memorandum”, nr. 3.3, zoals geciteerd in M. FRANZOSI (ed.), European Design protection, Den Haag, Kluwer Law International, 1996, 21: Many design products originating in the Community enjoy an enviable reputation in the market place. To safeguard the basis of this reputation, to enhance even further the value of these design activities, and to promote investment in designs by protecting them against parasitic behavior is one of the objectives of the Regulation”.

[5] Het feit dat een voorwerp octrooibescherming geniet, sluit inderdaad niet uit dat diens vormgeving modelrechtelijk wordt beschermd; zie Rb. ‘s-Gravenhage 11 juni 2003, B.I.E. 2004, 562; Arr.Rb. Amsterdam 13 februari 2002, B.I.E. 2002, 433.

[6] P. LAURENT, “Exclusion de la protection par le droit des dessins et modèles des ‘caractéristiques de l’apparence d’un produit qui sont exclusivement imposées par sa fonction technique’: passé et présent”, I.R. D.I. 2003, 207; F. DE VISSCHER, “Quelques réflexions sur l’exclusion de l’effet technique en droit des dessins et modèles” in X. (ed.), Jura Vigilantibus: Antoine Braun, les droits intellectuels, le barreau, Brussel, Larcier, 1994, 119-120; A. BRAUN en J.J. EVRARD, Droit des dessins et modèles au Benelux, Brussel, Larcier, 1975, 54 -55.

[7] Hoewel enige aanwijzing kan worden gevonden in de “Guidelines for examination in the European Patent Office”, Part C, IV, 2.1, waarin wordt gesteld dat een uitvinding een “concreet en technisch karakter” moet hebben, voorziet het Europees Octrooiverdrag zelf niet in een positieve definitie. In art. 52.2 EOV wordt wel bepaald wat geen uitvinding kan zijn. Eén uitsluiting betreft trouwens de “esthetische vormgeving”, hetgeen aanleiding gaf tot een interessante beslissing in Rb. Gent 29 juni 2009, ICIP 2009, 333-334: “Daarbij wordt evenwel gepreciseerd dat de octrooieerbaarheid van esthetische vormgeving alleen dan is uitgesloten, voorzover de aanvrage of het octrooi betrekking heeft op de esthetische vormgeving als zodanig. […] Wanneer de technische en esthetische functie van een gegeven vorm […] niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dan zal alleen de technische vormgeving het voorwerp kunnen uitmaken van een octrooi, terwijl de esthetische vormgeving gebeurlijk onder bescherming zal vallen van het auteursrecht dan wel het recht inzake tekeningen en modellen”.

[8] U. SUTHERSANEN, Design Law in Europe, Londen, Sweet & Maxwell, 2000, 33; P.A.C.E. VAN DER KOOIJ, “Modellen tussen wal en schip?”, N.J.B. 1995, 16.

[9]  L. WICHERS HOETH, “Het technisch effect van artikel 2 lid 1 Modellenwet”, B.I.E. 1985, afl.6/7, 270.

[10] P.A.C.E. VAN DER KOOIJ, l.c., 14.

[11] C. GIELEN, Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer, Kluwer, 2007, 153.

[12] Zie in dit verband art. 25(1) TRIPs: “De leden kunnen bepalen dat deze bescherming zich niet uitstrekt tot tekeningen of modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele eisen bepalend zijn”.

[13] P. LAURENT, l.c., 210.

[14] R.o. 36 van de BHIM beslissing dd. 22 oktober 2009: “It goes without saying that these matters must be assessed objectively: it is not necessary to determine what actually went on in the designer’s mind when the design was being developed. The matter must be assessed from the standpoint of a reasonable observer who looks at the design and asks himself whether anything other than purely functional considerations could have been relevant when a specific feature was chosen.”

[15] R.o. 70 van GEA 12 november 2008, T-270/06 (Lego vs. Mega Brands), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl: “(70) […] De perceptie door de betrokken consument is niet relevant voor de analyse van het functionele karakter van de wezenlijke kenmerken van een vorm. Het is immers mogelijk dat de betrokken consument niet beschikt over de technische kennis die is vereist voor de beoordeling van de wezenlijke kenmerken van een vorm, zodat bepaalde kenmerken volgens hem wezenlijk kunnen zijn, terwijl dit niet het geval is in de context van een analyse van het functionele karakter, en omgekeerd. Derhalve dient te worden geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 7, lid 1, sub e‑ii, van verordening nr. 40/94 de wezenlijke kenmerken van een vorm op objectieve wijze moeten worden vastgesteld, op basis van de grafische voorstelling ervan en eventuele beschrijvingen die op het ogenblik van de merkaanvraag werden ingediend.”

[16] Conclusie van Advocaat-generaal Mengozzi dd. 26 januari 2010, http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl: “[…] de verschillende [in artikel 7, lid 1 van verordening nr.40/94 genoemde] gronden voor weigering van de inschrijving weerspiegelen verschillende gevoeligheden van de wetgever en hebben daarom ieder hun eigen normatieve intensiteit. [Aangezien] de ratio van het bepaalde sub e van voornoemde bepaling zo ver af ligt van de wezenlijke functie van het merk […] kan het criterium van de gemiddelde consument niet worden aanvaard.”

[17] H. VANHEES,  “Art. 3-9 Verordening 12 december 2001” in X. (ed.), Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2003, 21 (en verwijzingen).

[18] A. BRAUN en J.J. EVRARD, o.c., 49-60.

[19] Zie o.a. Vz.Rb. Alkmaar 20 september 1978, B.I.E. 1982, 23; Amsterdam 21 maart 1980, B.I.E. 1980, 205; Rb. Luik 27 maart 1991, Ing.-Cons. 1992, 335; Vz.Rb. Haarlem 2 april 1993, B.I.E. 1994, 66; ’s-Gravenhage 22 april 1993, B.I.E. 1994, 327; Amsterdam 4 juli 1996, B.I.E. 1997, 229; Vz.Rb. ’s Gravenhage 30 augustus 1996, B.I.E. 1999, 379; Rb. Turnhout 31 oktober 1996, I.R. D.I. 1997, 130; Arr.Rb. Haarlem 28 september 2001, B.I.E. 2002, 305.

[20] Pagina 14 (art. 2) van het Gemeenschappelijke Commentaar van de Regeringen van de Beneluxlanden, http://www.boip.int/nl/pdf/oldregulations/designs/6gemeenschappelijkcommentaarprotocol2002.pdf,: Immers, datgene wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect (het huidige criterium), wordt uitsluitend door de technische functie bepaald (het nieuwe criterium).

[21] H. VANHEES,  “Art. 3-9 Verordening 12 december 2001”, o.c., 27; C.H. MASSA en A. STROWEL, “Community design: Cinderella revamped”, E.I.P.R. 2003, 72; W.E. PORS, “Beperking van het modelrecht voor technisch bepaalde aspecten”, Bull.BMM 1999, 21-22; L. DE BROUWER en F. DE VISSCHER, “La directive européenne sur les dessins et modèles” in X (ed.), Droits intellectuelles: à l’encontre d’une stratégie pour l’entreprise, Brussel, Bruylant, 2002, 437.

[22] House of Lords (Amp Inc. vs. Utilux Pty Ltd), [1972] R.P.C. 103; Zoals bevestigd in House of Lords (Interlego A.G. vs. Tyco Industries), [1988] R.P.C. 343.

[23] Vz.Rb. Rotterdam 30 december 1999, B.I.E. 2001, 375; Arnhem 5 september 2001, B.I.E. 2003, 182; Rb. Maastricht 16 mei 2002, I.E.R. 2002, 317; Rb. ’s-Gravenhage 11 juni 2003, I.E.R. 2003, 374;’s-Hertogenbosch 4 november 2003, B.I.E. 2004, 267; Arnhem 4 november 2003, B.I.E. 2004, 571; Vz.Rb. Assen 1 juli 2004, I.E.R. 2004, 406; Arnhem 17 augustus 2004, B.I.E. 2005, 263; Vz.Rb. ’s-Gravenhage 12 oktober 2005, B.I.E. 2009, 269; Vz.Rb. ’s-Gravenhage 21 juni 2007, B.I.E. 2007, 712; Vz.Rb. ’s-Gravenhage 17 mei 2006, B.I.E. 2006, 502; Rb. 's-Gravenhage 29 november 2006, B.I.E. 2007, afl. 6, 397; Vz.Rb. 's-Gravenhage 9 januari 2008, B.I.E 2009, 337; Vz. Rb. ‘s-Gravenhage 4 maart 2008, B.I.E. 2009, 185; Vz.Rb. Arnhem 19 februari 2009, B.I.E. 2009, 276; ‘s-Gravenhage 24 februari 2009, I.E.R. 2009, 211 - contra: Vz.Rb. Haarlem 28 december 2001, B.I.E. 2003, 5; Rb. Amsterdam 13 februari 2002, B.I.E. 2002, 433; Vz.Rb. Utrecht 3 juni 2004, B.I.E. 2005, afl. 4, 162; Rb. Amsterdam 30 mei 2007, I.E.R. 2007, 310; 's-Hertogenbosch 12 februari 2008, I.E.R. 2008, afl. 3, 149.

[24] Bergen 27 februari 2006, J.L.M.B. 2006, 1849; Rb. Dendermonde 5 oktober 2007, I.R. D.I. 2008, 375; Luik 8 september 2008, I.R. D.I. 2008, 403 - contra: Rb. Kortrijk 15 april 2003, B.I.E. 2004, 169; Rb. Kortrijk 2 maart 2004, Ing.-Cons. 2005, afl. 2, 148.

[25] R.o. 16 en 18 van de Beslissing van de Beroepskamer van het BHIM dd. 12 november 2009, http://oami.europa.eu/LegalDocs/BoA/2007/en/R1114_2007-3.pdf : “Article 8(1) CDR denies protection to those features of a product’s appearance that were chosen exclusively for the purpose of designing a product that performs its function, as opposed to features that were chosen, at least to some degree, for the purpose of enhancing the product’s visual appearance. […]It is difficult to see anything in the RCD that could have been influenced by anything other than the need to design a pouch, of convenient dimensions, that would be a practical means of packaging certain types of processed food, in particular when two portions or two separate lots of ingredients have to be put in a single packet for sale to the end consumer.”

[26] R.o. 20 van de Beslissing van de “Invalidity Division” van het BHIM dd. 3 april 2007, http://oami.europa.eu/pdf/design/invaldec/ICD%20000003150%20decision%20%28EN%29.pdf; Zie ook de beslissing van de “Invalidity Division” van het BHIM dd. 15 mei 2007 (zonder analyse van art.8.1 MoVe.), http://oami.europa.eu/pdf/design/invaldec/ICD%20000002723%20decision%20%28EN%29.pdf.

[27] H.v.J. 18 juni 2002, C-299/99 (Philips vs. Remington), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl.

[28] Zie § 30-42 (§ 34) van de Conclusie van Advocaat-generaal Colomer dd. 23 januari 2001, http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl.

[29] Zie ook A.A. QUAEDVLIEG, l.c., 533; C. GIELEN, o.c., 153.

[30] Zie r.o. 78-83 van H.v.J. 18 juni 2002, C-299/99 (Philips vs. Remington), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl: “(78) De weigeringsgronden van artikel 3, lid 1, sub e, van de richtlijn hebben als ratio te verhinderen dat, als gevolg van de bescherming van het merkrecht, de merkhouder een monopolie wordt toegekend op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een waar, waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt. Artikel 3, lid 1, sub e wil aldus vermijden dat het merkrecht verder gaat dan de bescherming van tekens op basis waarvan een waar of dienst van die van concurrenten kan worden onderscheiden, en op die manier eraan in de weg zou komen te staan dat concurrenten ongestoord in concurrentie met de merkhouder waren kunnen aanbieden waarin die technische oplossingen of die gebruikskenmerken aanwezig zijn. (79) Wat in het bijzonder de in artikel 3, lid 1, sub e, tweede streepje, van de richtlijn vermelde tekens betreft die uitsluitend bestaan in de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, zij vastgesteld dat deze bepaling beoogt de inschrijving te weigeren van vormen waarvan de wezenlijke kenmerken beantwoorden aan een technische functie. Bij inschrijving van deze vormen zouden de aan het merk verbonden uitsluitende rechten concurrenten immers de mogelijkheid ontnemen om een waar met een dergelijke functie aan te bieden, althans hun beletten, de verschillende technische oplossingen voor incorporatie van een dergelijke functie in hun waren vrij te kiezen. (80) Artikel 3, lid 1, sub e, van de richtlijn streeft dus een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk een vorm waarvan de wezenlijke kenmerken beantwoorden aan een technische functie en ter vervulling van die functie werden gekozen, door eenieder ongestoord moet kunnen worden gebruikt, en belet derhalve dat dergelijke tekens op grond van hun inschrijving als merk aan één onderneming worden voorbehouden (zie in die zin arrest Windsurfing Chiemsee, reeds aangehaald, punt 25).”.

[31] Zie r.o. 30 van de OHIM beslissing dd. 22 oktober 2009; M. FRANZOSI, “Franzosi commentary. EC Design directive and Regulation - Commentary (Art. 9 Reg.)” in M. FRANZOSI (ed.), o.c., 91: “The solution opens, of course, Pandora’s box. What happens if only three forms are possible? Or only two? The Design Directive and Regulation is not intended to give a monopoly to something which cannot be circumvented, but to provide an alternative solution, allowing two competitors to have the freedom to produce products without hindrance from monopolistic position. The principle that only the form which is necessary cannot be protected leaves the door open for the creation of monopolies with a plurality of protection covering all the possible forms”.

[32] A.A. QUAEDVLIEG, l.c., 533: “het is duidelijk dat de technische innovatie wel degelijk gehinderd wordt als alle nieuwe technische vormen beschermd kunnen worden, die een resultaat moeten dienen voor het bereiken waarvan al een ouder alternatief voorhanden is”.

[33] Zie ook “Official Commentary of Proposal of Regulation (art.9.1 Reg.)” in M. FRANZOSI (ed.), Design protection in Europe, Den Haag, Kluwer Law International, 1996, 82: “In extremely rare cases the form follows the function without any possibility of variation. In such cases the designer cannot claim that the result is due to personal creativity. The design has in fact no individual character and cannot attract protection”.

[34] En waarschijnlijk ook voor modellen in het algemeen; zie Gent 30 april 2007, Ing.-Cons. 2007, 783; Vz.Rb. ’s-Gravenhage 12 april 2005, I.E.R. 2005, 216; H. VANHEES  “Art. 3-9 Verordening 12 december 2001”, o.c., 11-12; contra: U. SUTHERSANEN, o.c., 40.

[35] Zie ook r.o. 34-36 van de BHIM beslissing dd. 22 oktober 2009: “The significance of limiting protection to the visual appearance of products is that aesthetic considerations are in principle capable of being relevant only when the designer is developing a product’s visual appearance”.

[36] J. DEENE, “Originaliteit in het auteursrecht”, I.R. D.I. 2005, 229 (en de verwijzingen aldaar).

[37] R.o 35 van de BHIM beslissing dd. 22 oktober 2009: “This is not, it must be stressed, tantamount to introducing a requirement of aesthetic merit into the legislation. It is simply recognition of the obvious fact that when aesthetics are totally irrelevant, in the sense that no one cares whether the product looks good, bad, ugly or pretty, and all that matters is that the product functions well, there is nothing to protect under the law of designs.”

[38] M. FRANZOSI, “Franzosi commentary. EC Design directive and Regulation - Commentary (Art. 3 Reg.)” in M. FRANZOSI (ed.), o.c., 41-42.

[39] Arnhem 4 november 2003, I.E.R. 2004, 155;Vz.Rb. ‘s-Gravenhage 29 november 2006, B.I.E. 2007, 397.

[40] P. LAURENT, l.c., 209 : “De prime abord, nous pouvons saluer le fait que, cette fois, le nouvel article entérine l’interprétation constante (et évidente) de la doctrine et de la jurisprudence qui confirmait que cette exclusion peut aussi bien s’appliquer à l’ensemble de l’aspect extérieur de l’objet qu’à certaines caractéristiques de son apparence” ; V. JOSSE en K. VAN DER PERRE, “Tekeningen- en modellenrecht anno 2000: overgang van oud naar nieuw”, I.R. D.I. 2000, 31.

[41] R.o. 83 van H.v.J. 18 juni 2002, C-299/99 (Philips vs. Remington), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl.

[42] R.o. 39 van GEA 12 november 2008, T-270/06 (Lego vs. Mega Brands), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl: “Voor de toepassing van deze absolute weigeringsgrond volstaat het dus dat de wezenlijke kenmerken van de vorm de kenmerken omvatten die technisch de oorzaak zijn van en voldoende zijn voor het verkrijgen van de beoogde technische uitkomst, zodat zij aan de technische uitkomt zijn toe te schrijven”.

[43] Contra: r.o 37 van de BHIM beslissing dd. 22 oktober 2009:The design as a whole will be invalid only if all the essential features of the appearance of the product in question were solely dictated by its technical function.”

[44] Hoewel art.5.2 MoVe. bij de nieuwheidsvraag melding maakt van “onbelangrijke details”, wordt voor de (vaak doorslaggevende) beoordeling van het eigen karakter (art. 6 MoVe.) en de inbreukvraag (art. 10 MoVe.) enkel de “algemene indruk” van de betrokken modellen als relevant beschouwd.

[45] H. SPEYAERT, “Ons toekomstig recht: de modellenrichtlijn”, Bull.BMM 1999, 9; W. HOORNEMAN, “Heeft modellenrecht nut naast auteursrecht?”, Bull. BMM 1999, 27; U. SUTHERSANEN, o.c., 38; Rb. ’s-Gravenhage 11 juni 2003, I.E.R. 2003, 374 (paperclip); ’s-Hertogenbosch 9 maart 2004, B.I.E. 2005, 115 (noodverlichting); Vz.Rb. Utrecht 3 juni 2004, B.I.E. 2005, 162 (bestekhouder); Vz.Rb. Den Haag 12 oktober 2005, Bull.BMM 2005, 206 (duo-bakje).

[46] Vz.Rb. ’s-Gravenhage 28 juni 2007, B.I.E. 2008, 81: “De technische functie van de caravan mover SimPark bepaalt in belangrijke mate de vormgeving. Verder zijn een aantal elementen in het algemeen bekend in het vormgevingserfgoed. De beschermingsomvang van het modelrecht is dus beperkt.”.

[47] Zie bvb. 's-Hertogenbosch 12 februari 2008, I.E.R. 2008, 149; Rb. Dendermonde 5 oktober 2007, I.R. D.I. 2008, 375; Vz.Rb.’s-Gravenhage 12 oktober 2005, B.I.E. 2007, 25 Vz.Rb. Utrecht 3 juni 2004, B.I.E. 2005, 162; Rb. Luik 27 maart 1991, Ing.-Cons. 1992, 335.

[48] A.A. QUAEDVLIEG, l.c., 534.

[49] In theorie staat een technische determinering van een vorm er niet aan in de weg dat deze nieuw is en een eigen karakter heeft, maar het modellenrecht mág geen bescherming bieden aan nieuwe en eigen technische verbeteringen (“shall not subsist in”); zie ook A.A. QUAEDVLIEG, “De technische uitsluiting en art. 6, 8 en 10 Gmodv.”, noot onder Vz. Rb. ’s-Gravenhaege 12 oktober 2005, B.I.E. 2009, 271.

[50] R.o. 76 van H.v.J. 18 juni 2002, C-299/99 (Philips vs. Remington), http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=nl: “Artikel 3, lid 1, sub e, heeft dus betrekking op bepaalde tekens die geen merk vormen en is een eerste obstakel dat de inschrijving van een teken dat uitsluitend bestaat in de vorm van een waar, kan verhinderen.

[51] Artikel 85.1 MoVe.

 

First published by Kluwer in IRDI 2010, pag. 7

Authors