Heffing aanmerkelijk belang buitenlandse investeerders is niet effectief (article in Dutch)

06 January 2010

Ernst Barten

Het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat staat bij het kabinet nog steeds hoog op de agenda, zo blijkt uit het recent aangenomen Belastingplan 2010. Aanpassing van de Nederlandse belastingplicht van buitenlandse beleggingsfondsen kan het vestigingsklimaat voor ‘tussenhoudsters’ van internationale beleggingsfondsen verder verbeteren. Dit geldt ook voor de positie van Nederland als vestigingsplaats voor het houden van internationale vastgoedportefeuilles.

Buitenlandse beleggingsfondsen die een passief aanmerkelijk belang (minimaal 5%) houden in een in Nederland gevestigde vennootschap zijn onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting (maximaal 25,5%). Hoewel Nederland door het sluiten van bilaterale verdragen (gedeeltelijk) afstand doet van deze aanmerkelijkbelangheffing blijkt in de praktijk dat buitenlandse beleggingsfondsen die geen toegang hebben tot die verdragen Nederland nog steeds ontwijken als vestigingsland voor hun tussenhoudster- en financieringsfuncties.

Andere landen waaronder Luxemburg kennen deze atypische vorm van belastingheffing van buitenlandse investeerders niet. Dit klemt te meer nu deze aanmerkelijkbelangheffing in het verleden slechts is ingevoerd als anti-misbruikbepaling voor buitenlandse natuurlijke personen die door het ‘tussenschuiven’ van een buitenlands lichaam de Nederlandse belastingheffing ontwijken. De huidige aanmerkelijkbelangheffing schiet haar doel voorbij, wat ons vestigingsplaatsklimaat niet ten goede komt.

Wat kan de wetgever doen? Indien volledig afschaffen van de aanmerkelijkbelangheffing een brug te ver is kan er in de eerste plaats aan gedacht worden de huidige wetsbepaling te voorzien van een tegenbewijsregeling. Indien het buitenlandse beleggingsfonds aannemelijk maakt dat de uiteindelijke gerechtigden in het beleggingsfonds niet bestaan uit natuurlijke personen die bij een rechtstreekse investering een belang van 5% of meer zouden houden is geen sprake van een ‘tussengeschoven lichaam’ en zou de heffing derhalve niet van toepassing moeten zijn op het belang van het buitenlandse beleggingsfonds.

Ook ligt het voor de hand de heffing aan te passen conform de versoepeling van de deelnemingsvrijstelling voor deelnemingen die als belegging worden gehouden die als onderdeel van het Belastingplan 2010 recent is ingevoerd. In dat geval is de aanmerkelijkbelangheffing niet van toepassing op door het buitenlandse beleggingsfonds behaalde dividenden en koerswinsten voor zover deze gekoppeld kunnen worden aan voordelen die bij een Nederlandse tussenhoudster-vennootschap onder de deelnemingsvrijstelling vallen.

Een wellicht meer effectieve variant is een bezittingentoets toe te passen op het belang van het buitenlandse beleggingsfonds in de Nederlandse vennootschap. Kort samengevat houdt dit in dat de heffing niet van toepassing zal zijn indien de bezittingen van de Nederlandse vennootschap geconsolideerd beschouwd niet voor 50% of meer bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen.

Dit betekent tevens dat een belang van een buitenlands beleggingsfonds in een Nederlandse vennootschap die als (internationaal) vastgoedbeleggingsfonds fungeert dan niet meer onder de aanmerkelijkbelangheffing zal vallen. De gedachte daarbij is dat slechts belangen in structuren waarbij mobiel kapitaal in laagbelaste jurisdicties is ondergebracht kan leiden tot Nederlandse aanmerkelijkbelangheffing van buitenlandse beleggingsfondsen.

Door aanpassing van de aanmerkelijkbelangheffing voor buitenlandse beleggingsfondsen in samenhang met de recent ingevoerde versoepeling van de deelnemingsvrijstelling en eerder bepleite afschaffing van de dividendbelasting zal Nederland in korte tijd weer als belangrijke Europese vestigingsplaats gelden voor het aantrekken en investeren van buitenlands kapitaal.

(This article was published in the Dutch Financial Times, January 2010)

Authors

Barten-Ernst

Ernst Barten

Partner
Netherlands

Call me on: +31 (0)70 353 8800