Het lot van bewijsmateriaal na intrekking of wijziging van een beschrijvend beslag

01 August 2011

Bruno Vandermeulen

Noot onder Brussel, 22 februari 2011

1. Het hierboven gepubliceerde arrest werd geveld in een kort geding procedure, opgestart nadat een deskundige reeds een beschrijvingsmaatregel had uitgevoerd doch die vóór de neerlegging van zijn verslag werd ingetrokken na derdenverzet. Het arrest bevestigt het bevel van de eerste rechter, aan de deskundige, om al het door hem vergaarde bewijsmateriaal onder zich te houden totdat een definitieve cassatiebeslissing is gewezen in het derdenverzet, wanneer er geen rechtsmiddelen meer openstaan.

De octrooihouder had in het kort geding zowel in eerste aanleg als in graad van beroep tegen de deskundige méér gevorderd, namelijk een bevel om de door hem verzamelde stukken onder gesloten omslag in bewaring te houden en ter beschikking te houden tot een Belgische of buitenlandse bodemrechter de overlegging daarvan in het kader van een voor hem hangende procedure zou bevelen. Doch dit werd telkens afgewezen, en terecht.

De beweerde inbreukmaker had van zijn kant, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep, gevraagd dat de deskundige de verzamelde documenten zou terugbezorgen, zonder bewaring van enige kopie en zonder dat hij dergelijke documenten en stalen kon delen met een derde. Ook dit werd telkens afgewezen, en terecht.

2. Een succesvol derdenverzet tegen een louter beschrijvende maatregel is zeldzaam in de Belgische rechtspraak. De verzoekende partij draagt immers een relatief lichte bewijslast om de maatregel te bekomen, en hij beschikt over een wettelijk goed georganiseerd recht om bewijzen te verzamelen van mogelijke inbreuken op zijn intellectuele recht. Daarbij worden ook garanties geboden aan de vermeende inbreukmaker op vertrouwelijkheid van zijn gegevens. Toch is het enkele malen voorgevallen dat een partij tegen wie een beschrijvingsmaatregel werd uitgevoerd, er kort nadien in slaagt om die maatregel te doen intrekken nog vóór het beschrijvend verslag wordt neergelegd. De redenen daarvoor zijn van uiteenlopende aard en zullen in deze bijdrage niet nader worden onderzocht, alleen de gevolgen ervan.

3. Wanneer op derdenverzet een machtigende beschikking wordt ingetrokken, moet men uitgaan van de wettelijke fictie dat de beschikking geacht wordt nooit te hebben bestaan en dat de beschrijving nooit had mogen plaatsvinden. Dat klinkt mooi en is logisch, maar wat moet er dan met het vergaarde bewijsmateriaal gebeuren? Moet dat worden teruggegeven door de deskundige, of mag hij het onder zich houden? Moeten deze stukken voortaan worden beschouwd als onrechtmatig verkregen? En wat gebeurt er als de verzoekende partij zelf in het bezit is geraakt van bepaalde bewijsstukken, bijvoorbeeld via het proces-verbaal van beschrijving van de optredende gerechtsdeurwaarder, of via de verzoekende partij zelf die persoonlijk aanwezig mocht zijn tijdens de beschrijving? En mag het bewijsmateriaal bij de deskundige alsnog worden opgevraagd via de Belgische of buitenlandse bodemrechter?

In hun overzicht van rechtspraak stellen de Visscher en Bruwier dat wanneer de machtigende beschikking wordt ingetrokken, de aangestelde deskundige zijn mandaat verliest, zodat het vergaarde bewijsmateriaal moet worden teruggegeven en er geen gebruik mag worden gemaakt van het proces-verbaal van beschrijving, van het verslag of van enige andere informatie die tijdens de beschrijving werd bemachtigd. [1]  De rechtspraak die daarbij wordt aangehaald, en die ook hierna zal worden besproken, is evenwel niet zo eenduidig als deze auteurs willen doen uitschijnen, zeker niet voor wat de teruggave van het vergaarde bewijs betreft. Daarom is het nuttig om dieper in te gaan op dit arrest en op de beschikbare Belgische vonnissen en arresten waar deze vraagstukken reeds aanbod kwamen. Het geannoteerde arrest heeft alvast de verdienste om één en ander voor het eerst omstandig te motiveren.


4. Het arrest is verder interessant omdat het geen derdenverzet betreft rond beslag inzake namaak. Het betreft een volkomen afzonderlijk gevoerd kort geding dat rekening moest houden met het gezag van een reeds bestaand arrest dat de beschrijvingsmaatregel introk naar aanleiding van het derdenverzet. Dat arrest in de “beslagzaak” beval een specifieke doch beperkte nevenmaatregel, namelijk een bevel aan de octrooihouder om de in haar bezit zijnde goederen en documenten binnen de 48 uren na betekening terug te bezorgen aan de beslagene. Maar omdat het arrest niets bepaalde over wat de deskundige moest/mocht doen met de stukken die hij zelf onder zich hield, bleef er nog ruimte voor discussie. Dus werd een kort geding gevoerd tegen de deskundige, die aldus tussen twee vuren kwam te staan.


5. Ook de “beslagzaak” – waarnaar het geannoteerde arrest verwijst – kende een interessant verloop. Vooreerst omdat de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Gent de op éénzijdig verzoekschrift gevraagde maatregelen had geweigerd.  De Voorzitter stelde dat het betrokken product (maltosesiroop) een “grondstof” is “waarvan de productie behoort tot de stand van de techniek”. Enkel een bewerking van deze grondstof zou octrooieerbaar kunnen zijn, maar er lag geen bewijs voor dat dergelijke bewerking in België gebeurde.  Dergelijke inhoudelijke beoordeling in een eenzijdige procedure is zeldzaam. Ook de (nog steeds eenzijdige) beroepsprocedure door de octrooihouder verliet niet vlot.  Het Hof van Beroep te Gent organiseerde immers een zitting in raadkamer waar het Hof een aantal vragen stelde die de octrooihouder tijdens een tweede zitting moest beantwoorden.  Pas dan werd toestemming gegeven om over te gaan tot het beschrijvend beslag.  Ook dergelijke gang van zaken is ongebruikelijk.  Er is zelfs meer. In het derdenverzet dat de beweerde inbreukmaker instelde voor het Hof van Beroep te Gent werden de beschrijvingswerkzaamheden (nml. de neerlegging van het beschrijvend verslag door de deskundige) via tussenarrest opgeschort o.g.v. artikel 1127 Ger. Wb.,[2] om tenslotte bij eindarrest d.d. 22 december 2009 te oordelen dat het machtigende arrest tot beschrijvend beslag nietig was omwille van een inbreuk op Artikel 40 § 1 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Tegen dat arrest werd cassatie aangetekend en intussen werd een kort geding uitgevochten dat aanleiding gaf tot het hier geannoteerde arrest.

6. Een laatste interessant aspect van het arrest is de daarin toegekende tegenstelbaarverklaring aan twee andere partijen die niet betrokken waren bij het beslag inzake namaak doch die door de octrooihouder als vermeende inbreukmaker waren gedagvaard voor de Franse octrooirechtbank. De tegenstelbaarheid werd gevraagd en toegestaan om te voorkomen, zo blijkt uit het arrest, dat deze partijen in het kader van de procedure in Frankrijk een middel zouden putten uit het feit dat zij niet in de procedure voor de eerste rechter en voor het Hof betrokken werden, zodat de bewijsstukken die het voorwerp van deze procedure zijn, haar niet zouden kunnen worden tegengeworpen. [3] Hierna worden de verschillende casussen besproken die zich in de Belgische rechtspraak rond (de intrekking van) het beschrijvend beslag hebben voorgedaan

Eerste casus: de intrekkende beschikking bepaalt niets over wat er met het bewijsmateriaal moet gebeuren

7. Sommige beschikkingen trekken, na een gegrond verklaard derdenverzet, de eerder toegekende beschrijvingsmaatregel in zonder beschouwingen rond wat er moet gebeuren met het vergaarde bewijsmateriaal [4] Wellicht omdat de betrokken partijen er geen probleem mee hebben dat een van zijn opdracht ontheven gerechtsdeskundige stukken onder zich houdt waarvan hij weet dat hij er nooit gebruik van zal mogen maken. Doch het vertrouwen in die deskundige is niet altijd zó groot, en soms is er al informatie doorgesijpeld tot bij de verzoekende partij omdat zij of haar raadsman gemachtigd waren om in persoon aanwezig te zijn tijdens de beschrijving. Dan gaan de poppen aan het dansen en wordt er lustig geprocedeerd over wat er met het verzamelde bewijs en de verkregen informatie al dan niet mag gebeuren.

Tweede casus: de deskundige moet al het bewijsmateriaal onvoorwaardeliijk en onherroepelijk teruggeven aan de beslagene

8. In 2002 trok de Leuvense beslagrechter zijn eerder toegekende beschrijvingsmaatregel in na derdenverzet omdat de beweerde inbreuk computerprogramma’s betrof en daarvoor, althans volgens de beslagrechter, alleen de rechtbank zetelend in het rechtsgebied van het Hof waar het beslag moest plaatsvinden, territoriaal bevoegd was. [5] De intrekkende beschikking beval daarbovenop de volgende maatregelen :

1. de opheffing van het beslag, met inbegrip van de verzegeling, zodat de verzegelde computers terug konden worden gebruikt;
2. een verbod – zonder te preciseren aan wie - om gebruik te maken van het proces-verbaal van beschrijvend beslag, van het deskundig verslag en van alle documenten of informatie die naar aanleiding van de beschrijving werden bekomen;
3. een bevel, aan de gerechtsdeskundige, om alle documenten en voorwerpen, die door hem werden meegenomen ter gelegenheid van de beschrijvingswerkzaamheden, terug te bezorgen aan de beslagene.

Toen het Brusselse Hof deze beschikking achteraf hervormde, nadat de deskundige zijn stukken al had terugbezorgd, oordeelde het dat de vernietiging van de hierboven opgesomde maatregelen volstond, en dat het verzoek om een tweede beschrijvingsmaatregel te mogen uitvoeren, zonder voorwerp was geworden. [6] 

Derde casus: de te ruime beschrijving wordt vervangen door een beperkte beschrijving

9. Een vervangende beschrijvingsmaatregel werd wel toegekend in een geschil voor de Gentse beslagrechter, waar een beschrijvingsmaatregel op grond van een octrooi werd ingetrokken omdat de deskundigen werd gevraagd om “product leads” voor nog te ontwikkelen antilichamen van de beslagene te beschrijven. Die “product leads” hadden betrekking een aspect van de uitvinding dat  evenwel tijdens de verleningsprocedure uitdrukkelijk van octrooibescherming was uitgesloten. De oorspronkelijk gevraagde en uitgevoerde beschrijving sloeg dus op veel méér dan waarvoor het octrooi [7] uiteindelijk was toegekend. Daarom werd de beschrijvingsmaatregel ingetrokken en vervangen door een nieuwe beschrijving die rekening hield met de werkelijke beschermingsomvang van het octrooi.   Omdat door de deskundige reeds heelwat gevoelige informatie was verzameld die niet onder de beschermingsomvang van het octrooi viel, werden er naast de aangepaste beschrijvingsmaatregel ook nog enkele begeleidende maatregelen uitgesproken :


  1. een verbod tegen de aangestelde deskundigen en de optredende gerechtsdeurwaarder om enige informatie die zij reeds bekomen hebben en in uitvoering van de nieuwe beschikking nog zullen bekomen naar aanleiding van de beschrijvingswerkzaamheden bij de beslagene in enige vorm mee te delen aan de octrooihouder en/of hun raadslieden;

  2. een verbod tegen de octrooihouder om nog beschrijvingsmaatregelen aan te vragen of uit te voeren met de reikwijdte zoals oorspronkelijk aangevraagd.

In deze beschikking werd dus geen teruggave bevolen van de door de deskundige teveel opgevraagde informatie, alleen werd hem een plicht tot geheimhouding opgelegd over de informatie die tijdens de eerste beschrijving werd vergaard.

Vierde casus: de bewijsstukken mogen worden bijgehouden ten behoeve van de bodemrechter

10. Het Gentse Hof diende zich in 2008 uit te spreken over de gevolgen van een beschrijvingsmaatregel die voor de eerste rechter op derdenverzet werd ingetrokken omdat, enerzijds, voor zover de beschrijving gesteund was op een octrooi, zij niet was ingesteld namens de titularis en, anderzijds, voor zover de beschrijving gesteund was op beweerde know-how van de verzoekende partij, beslist werd dat dergelijke know-how niet in aanmerking komt voor beschrijving via de procedure van beslag inzake namaak. [8] Omdat kort daarop een tweede beschrijvingsmaatregel was aangevraagd en uitgevoerd die niet ter betwisting stond omdat zij uitsluitend betrekking had op octrooi- en auteursrechten, rees tussen partijen de vraag wat er moest gebeuren met de stukken die waren vergaard tijdens de eerste, ingetrokken beschrijving, en hoe de aangestelde deskundige zijn opdracht moest uitvoeren en gebruik mocht maken van de informatie die hij n.a.v. twee verschillende plaatsbezoeken had vergaard.

Hangende het hoger beroep tegen de intrekkende beschikking, had de verzoekende partij vruchteloos geprobeerd om via de bodemrechter, bij wijze van voorafgaande maatregel o.g.v. artikelen 19.2° juncto 878 Ger. Wb., de overlegging van deze stukken door de deskundige te horen bevelen. De handelsrechtbank verklaarde zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van deze vordering omdat ze tot de sui generis bevoegdheid behoort van de Voorzitter die overeenkomstig artikel 1369bis Ger. Wb. kennis neemt van alle incidenten met betrekking tot de bevolen beschrijvingsmaatregelen. [9]

In de beslagzaak oordeelde het Gentse Hof dat het vanzelfsprekend is dat de deskundige in zijn verslag geen informatie verwerkt die hij verkregen heeft op grond van de eerste, ingetrokken beschikking. Hetzelfde geldt voor het verbod tegen doorgeven van deze informatie aan de verzoekende partij. Aan de deskundigen werd verbod opgelegd om enig verslag neer te leggen op grond van de ingetrokken beschikking, en om enige informatie die zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben verkregen naar aanleiding van de uitvoering van de ingetrokken beschikking, mee te delen aan de verzoekende partij en/of om deze op enige wijze publiek te maken, behoudens toelating hiertoe van de bodemrechter.[10]

Deze laatste zinsnede is opmerkelijk in het licht van de eerdere beslissing van de Gentse handelsrechtbank: het Hof liet dus aan de verzoekende partij de mogelijkheid open om, na een mislukte poging om een beschrijving van haar beweerdelijk geschonden know-how rechten te bekomen, aan de bodemrechter alsnog de overlegging van deze stukken te horen bevelen. Op dit punt is het arrest niet in lijn met het geannoteerde arrest, zoals hieronder nog aan bod zal komen.

Van een teruggave van enige stukken of informatie door de deskundige was in deze zaak andermaal geen sprake.


Vijfde casus: beperkingen aan het gebruik van het verslag en diens bijlagen vermijdt discussies in geval van eventuele intrekking

11. In 2008 besliste het Antwerpse Hof om een beschrijvingsmaatregel over een werkwijze voor polymeerscheiding toch toe te laten, nadat de Antwerpse beslagrechter ze na uitvoering ervan op derdenverzet had ingetrokken. De aangevoerde aanwijzingen voor octrooiinbreuk waren door de eerster rechter immers te licht bevonden. De intrekkende beschikking voorzag nergens wat er moest gebeuren met de documenten die inmiddels reeds door de deskundigen waren verzameld. Toen het Hof de maatregel dan toch weer bevestigde, werd de beschrijvingsmaatregel licht gewijzigd, werden de deskundigen eraan herinnerd dat zij in hun verslag niets mochten opnemen of openbaren dat geen rechtstreeks verband houdt met het voorwerp van de conclusies, en werd eraan herinnerd dat ook het neergelegde verslag en alle vergaarde stukken vertrouwelijk zijn en blijven. Vooral van belang is dat dit arrest voor het eerst gebruik maakte van artikel 1369bis/1 par. 3 door te bevelen dat aan de zijde van de verzoekende partij alléén hun Belgische en buitenlandse advocaten (en het personeel van hun respectievelijke kantoren) alsmede de Belgische en buitenlandse rechtbanken en de door hen aangestelde deskundigen kennis mogen nemen van de inhoud van het verslag, behoudens uitdrukkelijk akkoord tussen de partijen. En tenslotte werd verbod opgelegd aan de octrooihouder om gebruik te maken van het verslag en haar bijlagen indien geen dagvaarding ten gronde werd uitgebracht binnen een termijn van 60 dagen na verzending van het verslag.[11] 

Dit arrest werd later verbroken door het Hof van Cassatie omdat het niet juist gemotiveerd was. [12] Maar dankzij de strenge geheimhoudingsplicht die partijen in navolging van het Antwerpse Hof waren overeengekomen, werd achteraf een discussie vermeden over het lot van het deskundigenverslag en diens bijlagen.

Zesde casus: de bodemrechter pakt de gerechtsdeskundige in snelheid

12. Wat moet de deskundige doen met zijn bewijsmateriaal wanneer zijn verslag nog niet neerligt en er intussen reeds – op initiatief van de beweerde inbreukmaker - een beslissing ten gronde werd gewezen die vaststelt dat er geen inbreuk is en die het beslag uitdrukkelijk opheft ? De bodemrechter kan alleen het beslag opheffen, doch heeft geen bevoegdheid om een machtigende beschikking tot beslag inzake namaak in te trekken. Dat kon / kan alleen de beslagrechter / Voorzitter. Maar moet hij dat alsnog doen, en mag het verslag dan niet worden neergelegd ? Over die vraag zijn er twee beslissingen van de Antwerpse resp. Mechelse beslagrechter uit 2004 die lijnrecht tegenover elkaar staan ofschoon ze in hetzelfde geschil (maar tussen verschillende partijen) werden gewezen.

De Mechelse beslagrechter oordeelde dat de opheffing slechts geldt voor de toekomst, zodat niets eraan in de weg staat dat de aangestelde deskundige vooralsnog zijn verslag, dat de loutere schriftelijke neerslag bevat van de vaststellingen die hij deed vóór het bodemvonnis dat de opheffing van het beslag beval, ter griffie neerlegt. [13] De Antwerpse beslagrechter daarentegen oordeelde dat uit het bodemvonnis blijkt dat er nooit inbreuk was geweest. Bijgevolg was de vordering tot beslag inzake namaak ongegrond ab initio en werd de intrekking bevolen. Die intrekking heeft tot onmiddellijk gevolg dat de deskundige geen mandaat (meer) heeft om nog verder te werken of om een verslag neer te leggen, en dat de beslaglegger ook geen gebruik meer kan maken van de ondertussen reeds via de gerechtsdeskundige verkregen informatie. [14] VAN BUNNEN merkt in zijn noot onder deze twee beslissingen terecht op dat de Mechelse beslagrechter de bal  missloeg omdat de opheffing van een beslag wel degelijk een retroactief effect heeft, en dat alleen de stelling van de Antwerpse beslagrechter kan worden bijgetreden. [15] 

Doch zelfs al mocht de deskundige geen verslag neerleggen, werd hem niet gevraagd zijn dossier terug te bezorgen aan de beslagene.

Zevende casus : het verslag bevat méér dan wat geoorloofd is en wordt na neerlegging beperkt

13. In een opmerkelijk arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 4 december 2009 wordt aan een deskundige bevolen om bepaalde bijlagen uit zijn reeds neergelegd verslag te verwijderen, en wordt aan de verzoekende partij verbod opgelegd om gebruik te maken van de informatie uit die bijlagen, behalve in zover zij uitdrukkelijk vermeld staan in het verslag zelf. [16] Het Hof oordeelde dat de bijlagen veel méér bevatten dan wat strikt nodig was voor de beschrijvingsopdracht, en als vertrouwelijk moesten worden beschouwd o.g.v. artikel 1369 bis/6 Ger. Wb. Terecht werd benadrukt hoe de deskundige de door hem vergaarde informatie moet filteren en in zijn verslag alleen mag opnemen wat strikt verband houdt met het octrooi en mogelijke inbreuk daarop. Blijkbaar bestond de vrees dat de octrooihouder uit de bijlagen informatie zou puren op grond waarvan hij zijn octrooi kon amenderen zonder zijn kansen op inbreuk op dat octrooi te verliezen.

Achtste casus: het octrooi wordt nietigverklaard nadat het beschrijvend verslag reeds is neergelegd

14. Bestaat er een plicht tot teruggave van een reeds neergelegd rapport en diens bijlagen, in hoofde van de verzoekende partij, wanneer achteraf blijkt dat de titel waarop men de beschrijving uitvoerde ongeldig is ? Ook in dergelijk geval heeft de nietigheid immers terugwerkende kracht [17] en kan er nooit sprake zijn geweest van inbreuk.

De Brusselse handelsrechtbank oordeelde uitdrukkelijk dat ook in dergelijk geval geen wettelijke plicht tot teruggave van de vergaarde informatie bestaat. [18] In de beslagprocedure was reeds door de rechtbank gewezen op het gevoelige karakter van de vergaarde informatie en waren aan de octrooihouder reeds beperkingen opgelegd bij het gebruik van het verslag. [19] Verklaart dit waarom de (ex) octrooihouder er zonder veroordeling vanaf kwam ? Toen de octrooihouder aan de rechtbank verzekerde dat alle exemplaren van het verslag waren vernietigd en er slechts nog één exemplaar aanwezig was bij haar raadsman, werd de vordering tot teruggave van het verslag en diens bijlagen niet ongegrond, maar zonder voorwerp verklaard.

Wat leert het geannoteerde arrest daar nog bij?

15. Het Hof van beroep te Brussel benadrukt in de eerste plaats dat een deskundige die in het bezit is van documenten vergaard naar aanleiding van een beschrijvend beslag zich na intrekking van de machtigende beschikking niet opeens in een onwettige situatie bevindt. Want de terugwerkende kracht van de intrekking berust op een juridische fictie. De betrokken stukken zijn destijds op wettige wijze in zijn bezit gekomen via uitvoering van zijn opdracht toen de beschikking nog rechtskrachtig was. De retroactieve intrekking van die opdracht resulteert in een feitelijke situatie, die daarom niet onwettig is.

16. Het Hof stelt vervolgens dat er geen wettelijke bepaling is die de deskundige verplicht om deze documenten, die op rechtmatige wijze in zijn bezit zijn gekomen, terug te geven aan de beslagene. Het Hof verwerpt het argument als zou artikel 1369 bis/1 par. 7 in fine Ger. Wb. – dat bepaalt dat de beschikking tot intrekking geldt als opheffing – dergelijke plicht inhoudt.

17. Vervolgens gaat het Hof onderzoeken of de deskundige moet worden bevolen om ofwel alle stukken aan de beslagene terug te bezorgen zonder er een kopie van te maken of te bewaren, dan wel hem integendeel te bevelen om de documenten onder zich te bewaren totdat er geen rechtsmiddel meer openstaat tegen de intrekkende beslissing. Om tot haar beslissing te komen, vertrekt het Hof van de “schijn van rechten” in hoofde van de octrooihouder, daarmee doelend op de prima facie geldigheid van het octrooi. Dat recht en het risico op onmogelijkheid om, zonder deze stukken, een bewijs te leveren van een inbreuk op het octrooi heeft doorgewogen. Het bevel aan de deskundige om de stukken voorlopig onder zich te houden brengt geen nadeel toe aan de grond van de zaak, vrijwaart de belangen van de octrooihouder, en brengt geen nadeel toe aan de beslagene omdat de stukken niet in handen komen van de octrooihouder.

18. Net zoals de eerste rechter, gaat het Hof echter niet in op het verzoek van de octrooihouder om de deskundige te bevelen om de betrokken documenten in zijn bezit onder gesloten omslag in bewaring te houden en ter beschikking te houden tot een Belgische of buitenlandse bodemrechter de overlegging daarvan in het kader van een voor hem hangende procedure zou bevelen. De redenen die daarvoor door de eerste rechter waren opgegeven, en waarnaar het Hof trouwens verwijst, zijn overtuigend. Door de eerste rechter werd immers geoordeeld dat de in beslag genomen stukken niet ter beschikking mogen worden gesteld vooraleer een verslag voorhanden is. Omdat er onder die stukken wel eens vertrouwelijke informatie zou kunnen zitten die de deskundige wel nodig heeft om zijn verslag op te stellen, doch die als dusdanig niet thuishoren in het verslag zelf of in diens bijlagen.

De eerste rechter en het Hof zijn dus van oordeel dat wanneer beroep wordt gedaan op de procedure tot beschrijvend beslag, alleen het verslag en diens bijlagen in handen mogen komen van de verzoekende partij en later ook van de rechtbank, en dat de documenten an sich niet kunnen worden opgevraagd door de bodemrechter zonder “filtering” door de aangestelde deskundige.

Deze stelling ligt niet helemaal in lijn met de mogelijkheid die het Gentse Hof in haar arrest van 1 december 2008 bood aan de bodemrechter om alsnog de overlegging van die stukken te kunnen bevelen, doch ze verdient wel de voorkeur. Want door zoiets toe te laten, of aan een deskundige te bevelen, wordt een situatie gecreëerd die aan een Belgische of zelfs buitenlandse bodemrechter de mogelijkheid biedt om de beschrijvingstaak van de deskundige te omzeilen. En die beschrijvingstaak bevat een duidelijke plicht tot filtering, nml. onderscheiden wat relevant is voor de octrooiconclusies en wat niet. Dat staat uitdrukkelijk in enkele uitspraken die hierboven werden aangehaald. Deze doelstelling zou worden doorkruist indien de overlegging van die stukken an sich zou kunnen worden bevolen. Dan belandt men immers in Angelsaksische “discovery” toestanden die liefst worden vermeden.

Besluit :

19. Op grond van dit korte overzicht van rechtspraak en van het geannoteerde arrest kan worden besloten dat


  1. onze rechtbanken zelden dan wel nooit aan een deskundige bevelen om de door hem vergaarde documenten terug te bezorgen aan de beslagene na intrekking van de machtigende beschikking ;

  2. er geen wettelijke plicht in die zin bestaat;

  3. het belang van de verzoekende partij om geen stukken onherroepelijk te zien verloren gaan en het risico op verlies van zijn kans om een inbreuk te bewijzen, doorweegt op dat van de beslagene;

  4. discussies over teruggave van stukken kunnen worden vermeden indien de machtigende beschikking aan de verzoekende partij uitdrukkelijke geheimhoudingsverplichtingen en beperkingen oplegt over wie kennis zal mogen nemen van het verslag en diens bijlagen;

  5. het beschrijvend beslag moet resulteren in een verslag met bijlagen die werden geselecteerd of opgesteld door de aangestelde deskundige, en alleen dat verslag mag ter beschikking komen van partijen en de rechtbank. Het mag niet leiden tot een bewaring van stukken die zondermeer door een Belgische of buitenlandse rechter kunnen worden opgevraagd.

Note:
Published in the Belgian IP Journal "Intellectuele Rechten / Droits Intellectuels (IRDI)" 2011, third edition, as a case comment under a decision from the Brussels appeal court of 22 February 2011 (Rockette Frères vs. Syral) 

______________________________________________________________________


[1] De Visscher F. & Bruwier P., La saisie description et sa réforme, Larcier 2011pag. 131, nr. 182.
[2] IRDI 2009/4, p. 380 ; NJW nr 217 van 24 februari 2010, pag. 159
[3] Zie overweging nr. 32 uit het arrest.
[4] Zie bijvoorbeeld Beslagrechter Luik, 25 februari 2008 (Uni Sensor) IRDI 2008, 181.
[5] Beslagrechter Leuven, 9 juli 2002, (Formanova t. Autodesk) IRDI 2004, 153; A&M 2003, afl. 5, 394
[6] Brussel, 7 mei 2003 (Autodesk t. Formanova) IRDI 2004, 150; A&M 2003, afl. 5, 377.
[7] Beslagrechter Gent, 7 december 2004 (Ablynx t. Domantis) IRDI 2005, 285 e.v.
[8] Gent, 1 december 2008 (Philips Lighting t. AGC Flat Glass Europe) IRDI 2009, 58, met noot F. Petillion.
[9] Kh. Gent, 5 juni 2008 (AGC Flat Glass Europe t. Philips Lighting B.V.) A/08/00437, onuitg.
[10] Zie dictum van het arrest: Gent, 1december 2008 (Glassiled), IRDI 2009, 63, met eigen onderstreping.
[11] Antwerpen, 6 februari 2008 (Chevron t. Ineos, “Loop Slurry”), later verbroken door Cassatie.
[12] Cass. 26 november 2009, Pas. 2009, afl. 11, 2781; IRDI 2010, 135
[13] Beslagrechter Mechelen, 16 juli 2004 (Beyers Koffie t. Sara Lee) IRDI 2005, 53, Ing. Cons. 2005, 382 met kritische noot L. VAN BUNNEN.
[14] Beslagrechter Antwerpen, 25 oktober 2004 (Cafés Liegeois t. Sara Lee) Id.
[15] L. VAN BUNNEN.,  « Portée d’un jugement de débouté, au fond, sur la saisie contrefaçon antérieurement ordonnée » Ing. Cons. 2005, 397-398.
[16] Bruxelles, 7 mei 2009 (GSK t. Novartis, MenHybrix II, IRDI 2010, 146. Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen
[17] Zie artikel 50.1 Belgische Octrooiwet.
[18] Kh. Brussel, 3 november 2010 (GSK t. Novartis), IRDI 2010, 474, 481 : ”Novartis rétorque à juste titre qu’il n’existe aucune obligation légale dans son chef de restituer à la partie saisie le rapport d’expertise en sa possession. Elle précise qu’elle a cependant décidé de détruire toutes les copies et de n’en confier qu’une seule à ses avocats, qu’elle utilisera uniquement, le cas échéant, dans le cadre des procédures concernant le brevet EP’489 ».
[19] Zie Kh. Brussel, 7 mei 2009 (Novartis t. GSK), IRDI 2009, 352, met noot van B. VANDERMEULEN, Les mesures de confidentialité entourant le rapport de saisie-description, IRDI 2009, 359-36.

Authors